Eerste internationale conferentie

22 & 23 mei 2004 

 

Volgens de FCI  Rasstandaard

 

 

 

 

 

Promotor  D. Vervenne, georganizeerd door de Ierse Setter Club vzw België

 

     OP DE TERREINEN EN CLUBHUIS VAN DE

IERSE SETTER CLUB VZW  BELGIE

EN DE HISTORISCHE GEBOUWEN VAN FORT II

 

     

16 deelnemde landen

 

 

116 deelnemers

 

 

 

De historische gebouwen van Fort II

 

 

Het conferentie panel  :

Van links naar rechts :

Mr. Ronny Blomme ( België )  Voorzitter van "Ierse Setter Club" v.z.w. België - Mr. Terry O'Leary ( Ierland )  - Mevr. Ann Millington ( Engeland ) -

 Mevr. Pauline Perriam ( Engeland ) - Mej. Trudy Walsh ( Ierland ) -  Mr. Dirk Vervenne ( België )  en  Mevr. Patricia Brigden ( Engeland )

     

 

 

DE ROL VAN DE RODE IERSE SETTER BIJ DE ROOD-WITTE IERSE SETTER  

IN HET VERLEDEN EN IN DE TOEKOMST

Door Mr. Dirk Vervenne ( België )

  Fokker van Rood-Witte Ierse Setters

Illustraties in deze blauwdruk en met overhead projectie
 werden graag ter beschikking gesteld door

Mrs. Anne  Bailey  ( GB )

Mrs. Margaret Sierakowsky  ( GB )

Mr. D. Vervenne  ( B )

De meeste mensen weten wellicht wel dat ik enkel een fokker van Irish Red & White Setters ben.  Ik heb geen enkele officiële functie, ik ben geen keurmeester, maar enkel iemand met grote interesse voor ons ras.

Wij hebben nooit enig ander ras dan Red & Whites gefokt.  Wij hebben ze sedert 1985 en hadden tot op heden 16 nesten.  Het is misschien nuttig te weten dat wij deze 16 nesten  uit 15 verschillende combinaties kwamen en dat wij geen fokpolitiek hebben die op één bepaald type hond gefocust is.  Onze fokpolitiek is deze van verscheidenheid in respect voor de rasstandaard.  Dat soort politiek heeft ons een beter algemeen zicht op het ras gegeven.

Daar onze interesse voor het ras steeds verder gaat dan onze eigen Belgische grenzen, waren wij verschillende malen in Ierland.  Wij hadden het geluk nog juist op tijd te zijn om deze deskundige mensen te ontmoeten die een 50 jarige – en zelfs langer – ervaring met het ras hadden.  Wij hebben naar hen geluisterd, en wat ik u vandaag zal vertellen en tonen komt van deze mensen uit het land van oorsprong.

Reeds vanaf de eerste dag dat Rood-Witte Ierse Setters met aantallen in de jaren 1980 vanuit Ierland geëxporteerd werden zijn er bij velen over de hele wereld altijd verwarring en misverstanden geweest in het begrijpen van het ras.  Het ras was niet gekend, en velen dachten dat dit niet eens bestond. Geïnteresseerden, keurmeesters in de showring en op trials begrepen niet hoe een “ Irish Setter – een Red & White” – er wel eens anders kon uitzien dan de overbekende Rode Ierse Setter die wij steeds gewoon waren te zien.

Ja, er is een zeker verschil, niettegenstaande de Rode Ier en de Rood-Witte in het verleden steeds als een schakel aan elkaar verbonden waren.  In deze toespraak zal ik proberen beide, de Rode en de Rood-Witte, in hun juiste context te plaatsen.  Gedurende da laatste jaren zijn er op internationaal niveau meer dan voorbeelden genoeg geweest die van echte verkeerde interpretatie en misverstand getuigen.  Dit is een van de grote redenen waarom ik gekozen heb te spreken over de rol van de Rode Ier bij de Rood-Witte.

 

  

    

Ik denk dat het nuttig is eerst naar vroegere jaren terug te gaan.  Wij gaan daarvoor terug tot de jaren 1790, een periode vanaf dewelke wij met zekerheid weten dat de informatie correct is.
Er was in die tijd een zekere Miss Lidwell die uitstekende honden had, een ervan was de reu York I ( Old York ), de andere de teef Stella.  In die tijd was er geen scheiding tussen de rode en de bonte Ier en dikwijls werden zij door elkaar gefokt, allen waren gewoon ‘Ierse Setters’.  Alle honden op de eerste bladzijde van deze “ grote stamboom’ zijn zowel bij de hedendaagse Rode als de Rood-Witte Ier terug te vinden.

 

GROTE  STAMBOOM 

 

Het is heel interessant te zien hoe de meeste Ierse Setters in die tijd waren : Rode en Rood-Witte vormden één geheel en vertoonden enorm veel gelijkenis.  Ze waren immers één grote familie.  Natuurlijk waren er ook fervente voorstanders van rode en van bonte, en sommigen vermengden ze, wat een volkomen normale praktijk was.  Schilderijen uit die tijd tonen duidelijk hoe de honden in die tijd er uit zagen, en het is ook interessant te zien hoe Rode Ierse Setters waren : er is een zeer grote gelijkenis met de Rood-Witte.

Het geeft een goed idee hoe deze honden waren.  Voor hen die de geschiedenis van de Ierse Setter kennen, zijn honden zoals Rattle, Aileen, Frisco, Grouse II, Quail, and of course Champion Palmerston, Ch. Shandon,Sullivan, Ch. Winifred (van Mrs. Ingle-Bepler, “Rheola” ), Fredglass  etc…geen onbekenden.  Dat was het typische algemeen voorkomen van de Ierse Setter dat zelfs ver buiten de Ierland gekend was.

Een Italiaanse keurmeester die naar deze conferentie niet kon komen stuurde mij een kopie op van enkele pagina’s uit een Italiaans hondenboek “Manuale del Cacciatore Italiano” uit 1897 met de vraag of ik dat niet zou willen tonen.  Het is een afbeelding van een Ierse Setter zoals men het ras toen overal buiten Ierland kende.  ( Voor hen die geïnteresseerd zijn , is er aan de wand in deze conferentiezaal een grote stamboom van de Rode Ierse Setter reu Champion Gruagach, geboren in 1860 en gestorven in 1878.  Al deze welbekende honden zijn in die stamboom terug te vinden en zijn de voorouders van de hedendaagse Ierse Setters rood en rood-wit.

Aangezien de Rode en de Rood-Witte dus altijd in elkaar geschakeld waren, waren vele van die Rode Ieren dragers van het Rood/Wit bloed en hadden beiden dus meestal dezelfde karakteristieken, niettegenstaande de rode Ier dikwijls iets meer ‘racy’ was.  Graag wil ik eens naar die overbekende Palmerston terugkeren : hij was een voorbeeld van een Ierse Setter met een voorkomen zoals de meeste niet waren.  Het verhaal over Palmerston is bij iedereen wel gekend : hij voldeed niet aan de eisen die zijn eigenaar van hem verwachtte, en dus was de eigenaar van plan hem te ‘dumpen’.  Maar er verscheen een Amerikaan die hem kocht en hem naar de States bracht.  Palmerston was een grote hond en zoals u kunt zien was hij duidelijk van een bepaald specifiek type.  Hij werd het voorbeeld voor de Amerikaanse Ierse Setter fok, en tevens de inspiratie voor een typische fok buiten Ierland die evolueerde tot wat hedendaags “Show Setter” genoemd wordt.  Dit is een echte foto van Palmerston toen hij reeds oud was.  Men neemt aan dat deze foto de allerenige is die er van Palmerston bestaat.

 

Maar kijk eens hoe interessant het is een van zijn zoons te zien, de ook al welbekende Champion Garryowen.  Dit is natuurlijk een schilderij, maar men ziet duidelijk dat typische voorkomen zoals er zovele Ierse Setters waren gedurende de laatste eeuwen.  Ik weet het natuurlijk niet met zekerheid, maar misschien was Palmerston een uitzondering, maar het is wel duidelijk dat ook hij honden voortbracht die terug van een meer rustiek voorkomen hadden.   Ik denk ten andere niet dat de schilder, W. Osborne, een specifieke hond zou schilderen die er zo niet uitzag, en waarbij men ook duidelijk witte haren ziet op bepaalde plaatsen.

Maar een en ander veranderde grondig tussen 1850 en 1900.  Sommige factoren in deze periode werden bepalend voor de verdere toekomst van de Ierse Setter.

1. In die periode ontstonden  de hondententoonstellingen, en de  jachtcompetities ( trials genoemd ).  In deze tijd bestond er geen verschil tussen “honden voor show” en honden voor jachtcompetitie”, en er was in het begin zelfs niet eens een verschil tussen effen rode en bontgekleurde Ierse Setters.

2. Precies ook in deze periode kwamen meer en meer Amerikanen naar Ierland, die  door de effen rode Ierse Setter gefascineerd waren, wat met zich meebracht dat bijna iedereen Rode Ieren begon te fokken..

3. Aangezien de populariteit van de effen Rode Ier spectaculaire proporties aannam, werd het zo stilaan evident dat er een rasclub voor effen rode Ieren ontstond.  Dit was in 1882. En er werd uiteraard dan ook aan een rasstandaard gewerkt, die officieel door de Ierse Kennel Club in 1886 erkend werd. Deze rasstandaard zei duidelijk dat de Ierse Setter van een effen rode kleur moest zijn.  De Rood-Witte werd ‘vergeten’.

Vanaf deze tijd had de Rode Ierse Setter alle mogelijkheden tot een eigen ontwikkeling en ging hij zijn eigen weg.  Maar in werkelijkheid, door deze beslissing werd er gedurende 100 jaar slechts 50% van de waarheid verteld, en slechts deze 50% had alle ontwikkelingsmogelijkheden.  Er werd niet meer gesproken over de andere 50% van de Ierse Setter, de Rood-Witte.

Wij kennen allemaal de gevolgen : gedurende de laatste 100 jaar is de Rode Ierse Setter, die alle faciliteiten voor ontwikkeling gehad heeft, geëvolueerd in twee verschillende richtingen; aan de ene kant geëvolueerd tot gespecialiseerde jacht- en competitiehonden, aan de andere kant tot echte show honden gespecialiseerd in een glitterende verschijning.  Twee verschillende culturen en concepties over de ‘Ierse Setter’ hebben zich naderhand ontwikkeld, beide in sommige gevallen tot zelfs extreme proporties, vooral tijdens de laatste decennia, met een mentaliteit van “wat kan ik doen om op trials te winnen” en “wat kan ik doen om op shows te winnen”.

Enkele foto’s illustreren de eerste tekenen van de ontwikkeling van deze twee verschillende concepties, niettegenstaande dat in deze tijd er geen extremiteiten waren en men de verdere evolutie tot extremiteiten uiteraard niet voor ogen had.

De eerste foto is er een van de vroege trials die er waren in 1915 in County Donegal.  Links Rev. Meehan’s “Coanach”, rechts Colonel Millner’s “Mac”.  Colonel Millner is bekend voor zijn boek over Ierse Setters, uitgegeven in 1924.

 

De andere foto is een illustratie van 8 generaties hoofdstudie die de bestendigheid in type illustreert.  Dit toont aan dat er toch ergens een bepaalde focus op “esthetiek” was.  Een andere, latere foto is deze van het zo bekende “T-nest” van ‘Twoacres’ Setters, dat toch duidelijk de langzame vooruitgang in uniformiteit van type illustreert, wat op zichzelf helemaal niet automatisch een slechte zaak is.

 

Wegens al deze elementen op het einde van de 19de eeuw, en in het bijzonder het feit dat de Red & White geen enkele officiële steun had, bleef hij in de anonimiteit en – zéér belangrijk !- : hij werd niet door de effecten van populariteit beïnvloed, en verloor hij niets van zijn eigen authentieke identiteit.

Graag toon ik hier een postkaart uit 1907 met een Rood-Witte Ierse Setter.

Misschien zou de Rood-Witte Ierse Setter uitgestorven zijn, maar er kwam een zekere Rev. N. Huston uit Bally Na Hinch begin 1900 te voorschijn, die Rood-Witten reeds in 1896 op tentoonstellingen uitbracht, en die deze verder fokte te samen met Mr. Elliott ( “Eldron” ).  Ze fokten enkel Rood-Witte Ierse Setters en Mr. Huston hield het ras overeind met exemplaren van de hoogste kwaliteit, en in connectie met de Rossmore familie die een 300 jarige ( ! ) traditie van Red & Whites had.  De honden van Rev. N. Huston hadden inderdaad Rossmore bloed.  In de stamboom van Jack of Glenmaquin ziet men duidelijk dat er connectie met de Rossmore Setters was, met The Brigadier die de zoon van Glen of Rossmore was.  Dit document is een kopie van de originele stamboom, handgeschreven door Mr. Cuddy.

Al deze Bally Na Hinch honden die zich op de “grote stamboom” bevinden zijn hier op deze handgeschreven stamboom van Jack of Glenmaquin terug te vinden.  Dit overspant de periode van ongeveer 1900 tot 1935/1940.

 

 

  

 

Red and Whites in Frankrijk

( “ de Forsac ” )

 

 ((  Juist een kleine notitie voor onze Franse deelnemers aan deze conferentie :  de Comte de Montbron in Frankrijk moet ergens connecties met de Rossmore familie gehad hebben die jachtgronden had op het eiland Arran vóór de kust van Engeland en dicht bij Schotland.  Het is geweten dat Comte Robert de Montbron Red & Whites vanuit Schotland naar Frankrijk meebracht.  Hij was toen 20 – 30 jaar.  Dat was in de tweede helft van de 19de eeuw.  Er zijn in Frankrijk wel degelijk Rood-Witte Ierse Setters geweest, en Robert de Montbron fokte Rood-Witte Ierse Setters onder zijn kennelnaam    “ de Forsac ”.  Deze Red & Whites werden regelmatig op shows in frankrijk gezien, maar aangezien men daar het ras niet kende, werden zij “Setters Écossais” genoemd.  Er zijn een paar schilderijen uit de familie Montbron collectie, en men kan terug duidelijk dat reeds eerder geziene rustieke voorkomen zien, typisch voor een handige jachthond die de Red & White was  )).  

 

Maar Rev. N. Huston was bijna helemaal alleen bij het fokken van Red & Whites, en ook hij zou op een dag ophouden, en dan was het bestaan van het ras weeral in groot gevaar.  

Maar er was plotseling een zekere Mrs. Cuddy die Mr. Huston’s werk overnam en verder zette.  Zij vond een jong teefje, Judith Cunningham of Knockalla.  Daar Mrs. Cuddy contacten met Mr. Huston had, fokte zij met dat teefje, dat gedekt werd door Jack of Glenmaquin.  Dat eeuwenoude Red & White bloed werd andermaal gered.  Dat nest was zo goed dat Rev. N. Huston voorstelde eerst een rode Ier voor zijn eigen fok te gebruiken om dan met de resultaten terug naar de honden van Mrs. Cuddy’s nest te gaan.

Dit was terug een illustratie van die oude traditionele Ierse Setter fok, Rood en Rood-wit onder een en dezelfde hoed  :  geen wonder dat Mrs. Cuddy zei, toen ik haar vroeg wat eigenlijk het verschil tussen Rood en Rood-Wit was : “ Jonge man, wat bedoel je?  Er is slechts één Ierse Setter ! ”

Mrs. Cuddy zette het werk van Rev. N. Huston verder en fokte onder de naam “Knockalla” vele echte authentieke Red & Whites, zoals o.a.. Jennifer, Diana, Jeremy, Felicity of Knockalla, en in die tijd werd de Irish Red & White Setter Club gesticht ( 1944 ). 

JENNIFER OF KNOCKALLA

Maar het was de tijd van de tweede wereldoorlog en na de oorlog had iedereen reeds werk genoeg met het herstellen van de andere rassen, en ontbrak dan ook het nodige geld en interesse om de Red & White terug een kans te geven.  Het ging terug bergaf tot rond 1965 er slechts 16-18 Red & Whites in het land van oorsprong meer overbleven.

Toen deed Mrs. Cuddy een ultieme poging om het ras nieuw leven in te blazen.  Deze poging was de goede en de beslissende poging, EN VAN HET ALLERGROOTSTE BELANG, want deze poging werd gerealiseerd door middel van een nauwkeurig fokprogramma in samenwerking met de Irish Red Setter Club en door middel van het gebruik van Rode Ierse Setters, om de ontwikkelingsmogelijkheden voor de Red & White te verbreden.  Dit gebeurde op het einde 1960 en de jaren 1970.  Het is van het allergrootste belang dit programma op de juiste manier te begrijpen omdat het in zovele gevallen tot misleiding, verkeerde interpretatie en misverstanden geleid heeft.

Met andere woorden, wij komen to the point :

Mrs. Cuddy ging op zoek naar het juiste materiaal voor dat heroplevingsprogramma en vond het.  Zij schreef haar bevindingen neer in wat genoemd wordt “ The Statement to the Irish Kennel Club” .  de Irish Kennel Club aanvaardde het.  Het geeft de situatie weer zoals die er in de jaren 1950 en 1960 was.

De man die ook een sleutelfiguur in dat programma had ( ook “outcross programma genoemd ) was MR. JOHN NASH  ( “Moanruad” ),  die toen secretaris van de Red Setter Club was.  Hij was – en is nog steeds – wereldberoemd voor de jacht/trial kwaliteiten van zijn Rode Ieren, met meer dan 50 Field Trial Champions, wat tot op heden, nog steeds een absoluut wereldrecord is.

Mr. Nash schreef in een brief aan mij, gedateerd 27 januari 1988 : “ Ja, de Rood-Witte Ierse Setter zou er helemaal niet meer geweest zijn, maar ik hield het ras voor mij persoonlijk in leven, zonder enige hulp van buitenaf, gedurende meer dan 20 jaar, terwijl niemand, en in de eerste plaats de Irish Kennel Club, het wilde weten ”.

Wat nu volgt en wat ik u zal tonen is helemaal geen uitvoerige uitleg over tal van stambomen, maar een eenvoudig schema dat ik maakte van een algemeen overzicht van het principe, de essentie van hoe dit outcross programma moet gezien worden en hoe het mogelijk was de authentieke Irish Red & White Setter terug te brengen.  Ik spreek over deze Red & White die geen enkele invloed van de populariteit der 20ste eeuw ondervonden heeft.  Het is uiterst belangrijk, want precies hier bij dit outcross programma hebben zovele verkeerde interpretaties het licht gezien.

De resultaten van Mrs. Cuddy’s onderzoek waren als volgt :

Een van Mrs. Cuddy’s nesten was dat uit Jeremy of Knockalla  x  Felicity of Knockalla. 

In dat nest waren  SHOT, SHERRY I  en  WHISKEY.  Allen pure Red & Whites.

SHOT ( re ) en SHERRY I (teef) behoorden toe aan Mr. Mc Andrews.

1.  Aan de ene kant, was er de combinatie SHOT ( RW )  x   JUNE ( RED  een van de pups was NELL ( RED ) deze  NELL ( RED ) werd aan  SHOT ( RW ) gekoppeld, dus een vader – dochter  combinatie.

Uit SHOT ( RW )   x   NELL ( RED )  kwam WAYDOWN  SANDY  ( RED ).

Mr. John Nash kocht Waydown Sandy als pup van Mr. Mc Andrews.  Dit was in 1961. Waydown Sandy was een Rode Setter met witte flash en witte voeten, en natuurlijk, als resultaat van een vader-dochter combinatie, een zeer sterke drager van de rood-witte factor.  John Nash  had een nest uit Waydown Sandy ( Red )  x   Rahard Belle ( Red ),  En dat gaf de zo bekende PATRICIA OF KILLONE ( Red ) en  MOANRUAD DAN ( Red ).  PATRICIA OF KILLONE werd aan  BALLIMAC EAGLE ( Red ) gekoppeld  en dit gaf  MOANRUAD KERRYGOLD ( Red ).  MOANRUAD AMARILA ( Red ), die een dochter van Patricia of Killone en Crosse Elm ( red ), was, werd door Moanruad Kerrygold ( red ) gedekt en dat gaf  MOANRUAD BRENDAN ( red ).

John Nash zei in het interview dat ik met hem had dat de Red & White factor zo sterk was dat hij dikwijls Red & Whites in zijn nesten had.  Eigenlijk niet verwonderlijk als je ziet dat die factor uit een vader-dochter combinatie voortkwam.  Al deze Moanruad Red Setters droegen de Red & White factor mee, maar niet enkel het kleurpatroon maar de Red & White in zijn geheel zoals ook de structuur en de spirit.  Zelfs waren er Moanruad Red Setters met de volledige Red & White structuur, zoals bijvoorbeeld Moanruad Brendan was.

2. Aan de andere kant, was er terug deze  SHOT  met enkel Red & White    nageslacht : SHERRY I  werd gedekt door haar broer SHOT, en dat gaf de teef SHERRY  II die op haar beurt door FIN gedekt werd.  Deze Finn was ½ Red  ½ Red & White en was een zoon van Waydown Sandy die terug een zoon van Shot  x  Nell was in vader-dochter combinatie.  De moeder van Finn was de rode Ier Biddy of Slievebawn ( “Belle” ). Deze combinatie gaf de teef CHARLAVILLE BEAUTY ( RW ) en RUSTY (RW ) ( Mr. Ruan ). En in het nest van Jeremy of Knockalla  x  Felicity of Knockalla was er ook WHISKEY ( RW ), die Mr. FOX’S BITCH ( RW ) dekte. Dat gaf de teef DUCHESS.  Duchess werd door Rusty gedekt en dat gaf Mrs. Cuddy’s GAYE OF KNOCKALLA ( RW ).

Dit was de globale situatie die Mrs. Cuddy gevonden had wanneer zij het ras nieuw leven wilde inblazen.  Deze Moanruad Red Setters die zo sterk de red & White factor met zich meedroegen, werden voor het outcross programma gebruikt, samen met Mrs. Cuddy’s Red & White fok.  Eigenlijk waren al deze honden nauw verwant aan elkaar en gingen rechtstreeks terug naar de Knockallas van Mrs. Cuddy.  Niet te verwonderen dat deze nauwe verwantschap rood en rood-wit terug echte Red & Whites gaf bij dit outcross programma.

Hier toon ik een foto van John Nash met 3 Rode Ieren.  De hond aan de rechter kant is Patricia of Killone met wat men noemt “typical Irish spotting” : witte flash, witte borst, witte voeten. 

Een andere foto is deze van Charlaville Beauty.  Kijk eens naar het algemeen voorkomen dat veeleer ‘atletisch dan racy’ is.  John Nash zei erover dat zij een pracht van een Red & White was.  Hij schonk haar aan Mr. Dermot Mooney.

 

CHARLAVILLE BEAUTY

 

In dit outcross programma vindt men volgende honden terug :

Patricia of Killone, Moanruad Kerrygold, Moanruad Brendan, Moanruad Stardust, Moanruad Jerry, Moanruad Glenkeen Penny, Moanruad Keen Girlie, Moanruad Nestor.

Ook enkele Rode Ieren van Rev. Canon Doherty werden ingeschakeld, zoals Tony I, Bran II, Shot II.  Ook deze honden waren dragers van de Red & White factor.

Dat is het algemeen overzicht van de situatie in die tijd.  Laten wij dat alles nu vertalen in stambomen zoals die door kennel Clubs uitgegeven worden.

Als voorbeeld heb ik de stamboom genomen van een Irish Red & White Setter geboren in 1978, in een periode dat het outcross programma ongeveer ten einde liep.  Het is de stamboom van Winnowing Grouse, gefokt door Mr. Dermot Mooney.

Op zichzelf is daar helemaal niets speciaals aan te zien.  Dat is een stamboom van een IRWS, noch meer noch minder.  Maar fokkers, in het bijzonder nieuwkomers, of andere mensen met interesse voor het ras die in de stambomen van hun honden generaties ver terug gaan teruggaan, zullen een dergelijke achtergrond ontmoeten, daarom niet precies deze, maar wel steeds deze honden in misschien andere volgorde.  En ze zullen iets vreemds ontdekken : bijna al deze honden zijn Rode Ieren.

En dat is de basis voor de vele misverstanden, verkeerde interpretaties en zelfs moedwillige desinformatie om bepaalde vreemde praktijken toe te passen, zelfs op internationaal niveau.  Wij hebben de gekste, de belachelijkste theorieën en verbeeldingen gehoord en gelezen, dat alles voor iets dat eigenlijk heel eenvoudig is.

Wanneer men naar deze stamboom kijkt is het zo gevaarlijk, met een beetje goodwill, te denken dat Irish Red & White Setters uit Rode Ieren komen, of bijgevolg te concluderen dat Red & Whites precies zoals Rode Ieren zijn.  Indien dit zo was, dan zou er geen andere standaard voor de Red & White zijn.

Irish Red & White Setters komen niet van Rode Ieren.  Irish Red & White Setters komen van Irish Red & White Setters.

Wat de Irish Red & White Setter betreft, waren specifiek deze Moanruad Red Setters in feite enkel de bewaarders, de “postmannen” die in staat waren met de hulp van andere Red & Whites terug Red & Whites af te leveren!  John Nash bewaarde het ras in zijn Rode ieren gedurende 20 jaar, en gaf het terug!  Om deze stambomen te begrijpen moet men de achtergronden en de juiste toedracht van al deze Rode Ieren kennen.  En dat kan men duidelijk met dit eenvoudig schema zien.  Onze Red & Whites komen van deze van Mrs. Cuddy, van Rev. N. Huston etc…  De Moanruads hielden het ras enkel voor een tijdje.

Dat was de eigenlijke rol van de Rode Ierse Setter in dit outcross programma.

Er is daarna nog een dergelijk programma geweest, maar misschien wel 95 % van van de tegenwoordige Red & Whites over de hele wereld komen van dit eerste en veruit belangrijkste outcross programma.  Dit programma van Mrs. Cuddy en Mr. Nash was HET BESLISSENDE PROGRAMMA dat de terugkeer van de enige authentieke IRWS mogelijk heeft gemaakt.

Ik toon U enkele foto’s die wij van Red & Whites in Ierland gemaakt hebben.  Het zijn allemaal honden die het rechtstreekse resultaat waren van het outcross programma:

Winnowing  Breeze, Rushfield Whin, Ir. Ch. Pride of Erne, Lough Erne Lady, Lough Erne Vanity, Mrs. Cuddy’s George, Lough Erne Blaze, Claddagh Lady, Lough Erne Lady  (andere zijde van de hond), Ir. Champion Meudon Blaze, Ir. Champion Mounteagle Belle. 

 

         

                     WINNOWING BREEZE            RUSHFIELD WHIN              PRIDE  OF  ERNE            LOUGH ERNE VANITY        LOUGH ERNE BLAZE       LADDAGH LADY

                                   ( 13,5 years )                              ( 9 years )

 

 LOUGH ERNE LADY    

( beide zijden )

 

Mevr. CUDDY & haar hond GEORGE 

 

 

         

Links : MEUDON BLAZE   - Rechts :  MOUNTEAGLE BELLE  

 

Zoals ik reeds zei, is er langzaam maar zeker gedurende de vorige eeuw een evolutie geweest die geleid heeft tot twee verschillende concepties binnen de wereld van de Rode Ierse Setter.  Enerzijds de show wereld, anderzijds de wereld van de jachtcompetitie ( field trial ).  Gedurende de laatste tientallen jaren evolueerde de Rode Ierse Setter in sommige gevallen tot extreme proporties, dit aan beide zijden.  De Irish Red & White Setter heeft zijn eigen identiteit bewaard zoals hij steeds geweest is.  Hij werd dan ook, toen hij eindelijk ook officieel erkend werd, beschouwd als een ander, tweede ras van Ierse Setter.  De outcross programma’s waren heel strikt en een uitzonderlijke toelating van de Irish Kennel Club.

The FCI Rasstandaard zegt in de korte historische beschrijving klaar en duidelijk : ‘ het is buiten Ierland niet goed geweten dat er twee rassen van Ierse Setter zijn’.  Mrs. Cuddy zei “ Er is slechts één Ierse Setter”, en ze had uiteraard voor 100% gelijk.  Maar als ik kijk, enerzijds naar de fel overdreven verschillen binnen de Rode Ierse Setter – aan beide zijden zouden wij bijna kunnen spreken van ‘rassen binnen het ras – en anderzijds naar de onveranderde Irish Red & White Setter, zou ik misschien wel durven zeggen : Er had maar één Ierse Setter mogen geweest zijn".

Maar op deze conferentie zou ik wel willen zeggen :  “ Niettegenstaande er wel enig verschil in type of in hoogte kan zijn ( daaromtrent is de standaard duidelijk ) : er moet slechts één Irish Red & White Setter zijn, deze van vroegere eeuwen, deze van de Rossmore familie, deze van Rev. N. Huston, deze van Mrs. Cuddy’s fok, en tenslotte, deze die wij allen vandaag moeten hebben, en dit zowel in de gebruiks-hondenwereld als in de show wereld.”

Het is tegenwoordig niet evident, wanneer uitzonderlijk rood-wit gekleurde puppies uit rode ouders geboren worden, te denken dat deze puppies daadwerkelijk echte Rood-Witte Ierse Setters zijn.  De invloed van de Rode Ier die zijn eigen evolutie had is te uitgesproken om echte Red & Whites uit rode ouders te hebben.  Het resultaat kan enkel rode Ieren zijn met jammer genoeg verkeerd kleur, en het mixen van Rood  x  Rood/wit kan zeker niet zomaar automatisch echte Rood/witten geven !  Het is natuurlijk niet toegelaten, maar sommige mensen met heel veel verbeelding ergens in de wereld blijven hardnekkig overtuigd van hun gelijk.  Zelfs John Nash wiens honden zo sterk de Red & White factor meedroegen, zei in het interview dat ik met hem had : “ Maar ja, het is waar, ik moet erkennen dat er wegens dat outcross programma en het daarbij horende intensieve gebruik van Rode Ieren ook Red & Whites zijn met de karakteristieken van de rode Ier”.

Tegenwoordig is er voor de Rode Ier helemaal geen rol meer weggelegd bij de Rood-Witte Ier, tenzij misschien in het land van oorsprong, indien dit echt nodig mocht blijken.

De outcross programma’s waren een zeer strikte, gecontroleerde en uiterst belangrijke aangelegenheid. 

 Er is tegenwoordig dan ook geen enkele plaats voor een circus !!   

  

Het is internationaal geweten dat ik 2 dergelijke puppies uit rode ouders kocht in 1992, een reu en een teef.  De ouders waren directe descendanten van deze Moanruads die voor het outcross programma gebruikt werden.  Een dag na hun geboorte contacteerde de fokker mij met de vraag of ik misschien geïnteresseerd was.  De volgende dag telefoneerde ik naar Mrs. Cuddy.  Ik zond haar de stamboom van de ouders, en aangezien ik misschien geïnteresseerd was, en nadat ze de stamboom bekeken had, steunde zij mij in het aanvragen van registratie, want ik had een redelijk goede kans, mits streng selectief fokken, om toch interessante, waardevolle stock voor de toekomst te bekomen;  En ik beschikte ook over enkele goede Red & Whites.  Ik maakte een goed gemotiveerd dossier en bekwam registratie voor deze twee tweekleurige setters.  Zij werden in het annex boek van de Nederlandse Kennel Club ingeschreven, en ik was meer dan tevreden met een dergelijk B-status voor hen.

Ik had vele en vooral lange telefoongesprekken met Mrs. Cuddy.  Ik wil hier wel benadrukken dat Mrs. Cuddy niet enkel een 50-jarige ervaring met het ras had, dat zij ook de kennis van deze uitmuntende fokkers die het ras reeds in de 19de eeuw hadden meegekregen had, maar dat Mrs. Cuddy ook Genetica aan de Universiteit van Dublin gestudeerd had.  Met andere woorden, zij wist echt wel waarover zij sprak !!

Mrs. Cuddy steunde dus mijn initiatief, maar zij informeerde mij met de nodige klemtonen ook over een groeifout die deze rode Ieren meedroegen.  Ik realiseerde mij op dit ogenblik uiteraard niet wat dit eigenlijk betekende.  Maar John Nash himself moet dat toch ergens ook geweten hebben, want hij sprak erover met Mr. Peter Heard na een trial in Stradbally waar Mr. Heard keurmeester was.  Hij zei dat hij zich zorgen maakte over het feit dat zijn honden kleiner werden.

Ik kocht dus die twee rood-witte puppies, de reu was Pallasgreen Ambition, de teef Pallasgreen Athena.  Zij groeiden beiden op, en heel bijzonder was het te ontdekken dat de reu op een leeftijd van 5-6 maanden volledig stopte met groeien.  Hij bleef uiterst klein : 57 cm, wat slechts de minimum hoogte voor teven is.  Voor de rest was hij wel ongeveer in proportie en was hij bijzonder sterk.  Maar na verloop van wat tijd, vertoonde hij op totaal onverwachte ogenblikken, en ook in zijn slaap, symptomen van extreme agressiviteit.  Waarschijnlijk had hij in de hersenen een tumor.  Omwille van deze twee redenen heb ik hem laten inslapen.  Echter, zonder deze agressiviteit, zou ik met deze hond zeker niet gefokt hebben omwille van deze groeifout.

De teef, Athena was in orde.  Ik kan haar omschrijven als “acceptabel” voor een Red & White.  Het kleurpatroon was in orde.

 PALLASGREEN ATHENA  

Maar ik wil wel aandringen op het feit dat niet enkel het algemeen voorkomen van de rode en de rood-witte Ierse Setter wat verschillen, maar ook de spirit.  En dat is wel uiterst belangrijk en wordt niet op een show gezien of gemeten!  De FCI standaard vermeldt dit trouwens ook in de kleine historiek : de Rood-Witte Ier is kalmer dan de Rode Ier.  En Athena had niet de Red & White spirit die een vastere, betrouwbaardere vastberadenheid vertoont dan deze van de Rode Ier.  Ik heb het ook zeer opmerkelijk gevonden dat Athena, die uit uitstekende jachthonden kwam, niet de minste zin voor wild had !!  Zij was een brave teef met goed karakter zoals er vele honden zijn in de wereld.  Niets meer, niets minder.

Maar ik wilde toch een kans aan deze uitzonderlijke aangelegenheid geven, en ik fokte met haar.  Ik had twee nesten van haar, telkens met een andere Red & White reu, en bijna alle pups waren degelijke Red & Whites, sommigen waren succesvol op trials.  Maar zij zijn toch nog niet precies zoals een goede Red & White.  De verschillen in spirit zijn er nog steeds.  Hun algemeen gedrag, hun manier van denken – hoewel parallel - is niet identiek aan dat van een echte  goede

Irish Red & White Setter.

Eeen zoon van Pallas Green Athena  

( Vader :  Excl.  Scamper )

Wij hebben bij ons geen kennels, maar de honden zijn steeds bij elkaar, reuen en teven gescheiden.  Indien er schermutselingen bij de honden zijn – en dat komt wel bij iedereen eens voor – dan hebben Athena’s nakomelingen er steeds iets mee te maken.  Het heeft helemaal niets te maken met enige vorm van agressiviteit.  De oorzaak ligt steeds in het feit dat zij en de andere Red & Whites elkaar niet altijd begrijpen, omdat zij op een verschillende manier denken.

Na 12 jaar sedert Athena’s geboorte , kunnen wij nog geen betrouwbare conclusies trekken.  Daarvoor hebben wij 2 generaties meer nodig.

Maar een zaak is zeker :  Heden ten dage, buiten Ierland,  geven Red & White puppies uit rode ouders, of combinaties Rood  x  Rood-Wit, geen echte authentieke Irish Red & White Setters.  Men kan eventueel tweekleurige setters bekomen, maar geen Irish Red & White Setters.  Daarvoor heeft men enkele generaties, veel geduld en vooral vakkundige selectie nodig.  Met andere woorden, voor al deze mensen die eventueel dergelijke ambities zouden hebben, is het antwoord heel eenvoudig : just forget it!

Deze bijzondere Moanruads met zeer nauwe verwantschap tot de Irish Red & White Setter zijn verdwenen !

Ik hoop dat dit alles betekenisvol moge wezen voor alle Instanties die verantwoordelijk zijn voor het uitschrijven van stambomen !

Mag ik U allen bedanken voor de moed die U had om zo lang naar mij te luisteren.

Dank U wel !